PoZoB: Spiegelinformatie helpt huisartsen en poh’s op weg

spiegelinformatie_pozob_zorgenzDe registratiegegevens van 150 huisartsenpraktijken, aangesloten bij zorggroep PoZoB, laten grote verschillen zien. De zorggroep bedacht een verbeterstrategie voor deze praktijkvariatie. Een aantal door huisartsen vastgestelde minimumnormen, en daarop huisartsen en praktijkondersteuners aanspreken én begeleiden, lijkt te werken. Arnold Romeijnders, huisarts en medisch directeur van PoZoB, licht deze aanpak op basis van spiegelinformatie toe.

Het is een euvel dat veel huisartsenpraktijken en zorggroepen herkennen: de verschillen in de populatie-, proces- en uitkomstindicatoren, zoals bij diabetes mellitus type 2 rondom hoge bloeddruk en het ondoelmatig voorschrijven van statines. Arnold Romeijnders wil graag een discussie op gang brengen over deze praktijkvariatie in de eerste lijn. Met als doel: praktische strategieën ontwikkelen die de zorg helpen verbeteren. Medisch Contact publiceerde onlangs een artikel van de zorggroep over de verbeteraanpak, onder de kop ‘Minder praktijkvariatie door analyse van verschillen’.

Op zoek naar indicatoren die ertoe doen
“We zijn op zoek gegaan naar indicatoren die professionals en patiënten aanspreken en helpen, en die niet als administratieve ballast worden ervaren. Het gaat om indicatoren die ertoe doen in de zorg, zich meer richten op uitkomsten en helpen in de kwaliteitscyclus”, verklaart Romeijnders. Hij illustreert dit met een voorbeeld: “Neem kwetsbare ouderen. We vragen dan door op wat iemand echt belangrijk vindt, het belangrijkste doel van dat moment, bijvoorbeeld twee keer per dag zelf buiten kunnen wandelen en de hond uitlaten. Daar worden met de patiënt afspraken over gemaakt in het team en vervolgens handelt iedereen daarnaar. Dat willen we met behulp van een zogenaamde doelrealisatie-tool ondersteunen. De patiënt kan dan eenvoudig met bijvoorbeeld een smiley of groovy aangeven of het doel benaderd worden of juist niet. Dat houdt alle zorgverleners bij de afspraak om zich op het hoofddoel te blijven richten.

Huisartsen en praktijkondersteuners kunnen op elk moment in de spiegel kijken
Bij PoZoB zijn 150 huisartsenpraktijken aangesloten. Zij krijgen ondersteuning bij de zorg voor mensen met diabetes, astma, COPD, hart- en vaatziekten, ggz en kwetsbare ouderen. De zorgverleners gebruiken het ketenzorginformatiesysteem Care2U. Ze kunnen uit dit systeem registratiegegevens verkrijgen die een betrouwbaar beeld geven van de geleverde zorg. Huisartsen en praktijkondersteuners kunnen op elk moment hun gegevens inzien, vergelijken met een benchmark en gebruiken voor besprekingen en het opstellen van een verbeterplan.

Daarnaast willen we de bestaande indicatoren op een betere wijze benutten. De procesindicatoren zijn al enkele jaren op orde en de gemiddeld scoren we goed in de landelijke benchmark van InEen, zowel op proces- als uitkomstindicatoren. Maar hoe kunnen we deze gegevens beter benutten om de zorg op een aansprekende manier te helpen verbeteren?”

Praktijken die laag scoren, trekken niet zelf aan de bel
In tien jaar tijd heeft PoZoB zes zorgprogramma’s geïmplementeerd. Uit de registratiecijfers (zie kader) blijkt dat er grote verschillen tussen praktijken bestaan. Sommige praktijen scoren op meerdere indicatoren bijzonder laag, sommigen ook bijzonder hoog. Dat kan betekenen dat de ene praktijk bijvoorbeeld driemaal zoveel mensen met diabetes de bloeddruk goed op orde heeft. Er is geen huisarts (of patiënt!) die dit niet zeer relevante vindt. “De praktijken die laag scoren, trekken in het algemeen ondanks ons ondersteuningsaanbod niet zelf aan de bel.”

Huisartsen stellen zelf minimumnorm op
“Bij het aanpakken van de praktijkvariatie doemde de vraag op: welke maat moeten we nemen? Een landelijke norm hiervoor ontbreekt. Uiteindelijk hebben de huisartsen zelf vanuit de inhoud per registratie-item minimale normen en best practices opgesteld”, vervolgt Romeijnders. Er zijn verbeterpraktijken benoemd (een praktijk die op zeven of meer items van de 72 uit alle zorgprogramma’s onder de minimale normen scoort) aangewezen. Door deze praktijken wordt – niet vrijblijvend en samen met PoZoB – een verbeterplan opgesteld en begeleiding op maat aangeboden. Daarnaast willen we passende succesfactoren uit best practices aanbieden.”

Intrinsieke motivatie voor kwaliteitsverbetering ontbreekt
PoZoB werkt nu circa anderhalf jaar met deze aanpak. Welke ervaringen zijn opgedaan? Waar is de zorggroep tegenaan gelopen? “We zien dat niet alle huisartsen bezig zijn met kwaliteitsverbetering, ook niet als het aangewezen is. Niet alle huisartsen hebben een intrinsieke motivatie of de juiste capaciteiten om succesvol aan kwaliteitsverbetering te werken. Soms zijn er organisatorische problemen. Maken professionals wel afspraken over structureel overleg, maar worden die niet nagekomen omdat dagelijkse problemen in de praktijk voorrang krijgen. Het komt ook voor dat huisartsen te weinig praktijkondersteuning hebben ingekocht, of de zorg juist teveel aan de praktijkondersteuners overlaten. Of denken dat ze als huisarts alles zelf goed kunnen.”

Het vergt nog meer aandacht
Aandacht voor en ondersteuning bij het verbeteren lijkt te helpen. Alleen kan lang niet elke huisartsenpraktijk dit uit zichzelf opbrengen, aldus een voorzichtige conclusie in het artikel dat werd gepubliceerd in Medisch Contact. Feit is dat een aantal verbeterpraktijken progressie laat zien, maar dat er ook weer nieuwe verbeterpraktijken bij komen. Is het dan dweilen met de kraan open? “Het is nog veel te vroeg om dat te zeggen, we zijn nog maar kort bezig en moeten leren hoe we samen het meest effectief kunnen zijn. En er zijn veel goede praktijken die zich blijven doorontwikkelen. Zo verbetert een deel van de praktijken zich na tien jaar diabeteszorg nog jaarlijks op de uitkomstindicatoren. We kunnen nog veel leren over welke factoren van belang zijn voor het verbeteren en borgen van de kwaliteit van de zorg”, concludeert Romeijnders.

Het blijft onze gezamenlijke verbetering
Romeijnders denkt dat PoZoB met de gekozen aanpak tot de voorhoede behoort. “Belangrijk is dat de huisartsen zelf de minimumnorm hebben vastgesteld. Daar gaat de discussie niet over. Het blijft onze gezamenlijke verbetering. De verbeterplannen zijn niet vrijblijvend.” Hij realiseert zich terdege dat het voor praktijken die moeite hebben om goed te scoren, geen sinecure is om te werken aan verbetering. “Daar komt bij dat er steeds meer sprake is van complexere multidisciplinaire zorg, zoals bij kwetsbare ouderen, en dat de huisartsenpraktijk in korte tijd een veel grotere organisatie geworden is. De huidige tijd vraagt om anticiperen en goed organiseren. Daar is de huisarts niet per definitie voor opgeleid.”

Corina de Feijter

(Foto: f_s/Shutterstock)

Gerelateerde berichten

Auteur: Zorgenz
Categorie: Bedrijfsvoering
Tags: , , ,

Plaats een Reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *